Moeizame kabinetsformatie en politieke versnippering
De formatie van het kabinet-Schoof (2023-’24) duurde 223 dagen vanaf de verkiezingen – uitzonderlijk lang vergeleken met het historische gemiddelde van 103 dagen. Nederland heeft geen landelijke meerderheidspartij en telt na de verkiezingen van november 2023 liefst 17 partijen in de Tweede Kamer. Om een meerderheidskabinet te vormen moest een coalitie van vier partijen (PVV, VVD, NSC, BBB) worden gesmeed, met uiteindelijk zelfs een partijloze premier aan het hoofd. In de praktijk zorgde deze versnippering voor eindeloze onderhandelingen, lobbygroepen én interne vetes. Bij voorbeeld barstte ruzie los over het mestbeleid: BBB-minister Wiersma wilde mestregels versoepelen, VVD- en D66-ministers trokken aan het stuur om dit tegen te houden. D66-leider Jetten en CDA-leider Bontenbal stelden dat dit “desastreuze beleid” laat zien waarom er “heel snel een nieuw kabinet” moet staan.
Tegelijkertijd ligt het machtscentrum in Den Haag bloot: fractieleiders voeren publiek machtsstrijd en wisselen portfolio’s en steun toe. Dat zorgt voor ruis in de beleidsagenda. In de formatie praatten partijen hoofdzakelijk over ‘wat kan niet’, in plaats van over een gedeeld toekomstbeeld. De usual compromises resulteerden in een vaag hoofdlijnenakkoord. Het leidde bij menige kiezer tot ontgoocheling: waarom zou de formatie zolang duren als er geen duidelijke inhoud lijkt te komen?
Ideologische polarisatie en wantrouwen
In dit klimaat van machtspolitiek hoort de burger steeds meer ‘ideologische ruis’. Onderzoeken van het SCP en anderen laten zien dat mensen verontwaardigd raken over polarisatie en emotioneel debatteren. Burgers ergeren zich aan verhitte discussies waarin politieke tegenstanders als vijand worden afgeschilderd. Volgens sociologen is het verschil tussen bevolkingsgroepen eigenlijk niet groter dan vroeger, maar is de toon grimmiger geworden. In zulke omstandigheden krijgen feitelijke langetermijnoplossingen weinig kans; het gaat te veel om symboliek en scorende uitspraken. Onderzoekers signaleren dat juist déze verharding het vertrouwen schaadt: politieke partijen hebben te lang gestreden om ideologische punten in plaats van om inhoudelijke resultaten.
De gevolgen zijn zichtbaar in de peilingen. Het SCP schrijft dat het vertrouwen in de politiek laag blijft en dat de groep Nederlanders die denkt dat het de verkeerde kant op gaat, blijft groeien. Recent onderzoek toont aan dat 60% van de Nederlanders Den Haag een onvoldoende geeft. Opmerkelijk is dat het vertrouwen in het democratische systeem an sich nog redelijk is (ongeveer 70%), maar het vertrouwen in politici en partijen juist terugloopt. Deelnemend wetenschapper Erik van Elsas (Radboud Universiteit) stelt dat burgers behoefte hebben aan “een kabinet met een langetermijnvisie” in plaats van eindeloze machtsconflicten. Veel kiezers willen dat de politiek zich minder laat leiden door partijstrategie en meer door inhoudelijke keuzes gebaseerd op feiten en haalbaarheid. Zoals Van Elsas het samenvat: kiezers waarderen inmiddels “eerlijk toegeven dat een verkiezingsbelofte niet haalbaar is” meer dan een hol compromis.
Impasses rond klimaat, zorg en migratie
De ideologische impasse blijkt in concrete dossiers. Neem klimaatbeleid: hoewel de 2030-doelstelling van 55% CO₂-reductie nu volgens het kabinet eindelijk “in zicht” is, ontstaan er intern voortdurend ruzies over de uitvoering. In een demissionair kabinet ontstond zelfs een knallende breuk over milieu- en waterkwaliteitseisen in agrarisch beleid. Zonder stevige langetermijnplanatie krijgt het kabinet de stikstof-, klimaat- en woningbouwproblemen niet snel genoeg opgelost.
Ook de zorg staat onder druk. De speciaal gezant voor ‘passende zorg’, hoogleraar Jan Kremer, waarschuwde dat de politieke impasse besluitvorming vertraagt. Vooral noodzakelijke hervormingen in gezondheidszorg en jeugdzorg liggen stil zolang er geen volwaardig kabinet is. Kremer observeert dat veel plannen pas in behandeling komen bij het nieuwe kabinet, terwijl de urgente zorgvragen toewerken naar crises. Tegelijk hebben ziekenhuizen en werkende in de zorg minder ‘rugdekking’ als het kabinet demissionair is, ook al zeggen ze “met volle kracht vooruit” te willen.
Migratie is een voorbeeld van politiek-dominantie van emoties boven feiten. Hoogleraar Peter Scholten benadrukt dat het debat doordrenkt is van “angst” en crisisretoriek, terwijl de cijfers zelf niet wijzen op een uitzonderlijke asielcrisis. Volgens hem worden problemen zoals woningnood vaak ten onrechte gelinkt aan migratie om politieke weerstand tegen migratie te mobiliseren. Zijn diagnose: “Feiten hebben geen grip” op het migratiedebat, en oplossingen komen niet dichterbij zolang politici vooral paniek zaaien.
Het politiek vertrouwen in cijfers
Nu alle grote dossiers vastlopen, schiet de kiezerskritiek omhoog. Het SCP constateert herhaaldelijk onrust en onvrede over de politieke besluitvorming. Zo vindt de grootste groep Nederlanders dat de politiek de laatste tijd juist de verkeerde kant op gaat. Uit een peiling van 2025 blijkt dat 60% van de bevolking Den Haag een onvoldoende geeft, en slechts nog 28% vertrouwen heeft in politici. Tegelijkertijd gaven nog 71% vertrouwen in het democratische stelsel (maar dat is geen excuus voor de politiek om te ontstressen).
Volgens socioloog Jelle Postma en collega’s voedt het huidige systeem de verdeeldheid: individuele politici en partijen scoren punten met harde standpunten en verkiezingsretoriek, terwijl samenwerking ondergesneeuwd raakt. Langetermijnbeleid blijft uit omdat elk kabinet allereerst verdeeld is over de koers. Onderling machtsrivaliteit ondermijnt het algemene vertrouwen. Deze dynamiek schept een gevoel dat politici meer geïnteresseerd zijn in partijpolitieke overwinningen dan in oplossingen.
Naar een visiegedreven regeerakkoord
Veel deskundigen pleiten daarom voor een fundamentele koerswijziging: een partijonafhankelijk regeerakkoord dat niet draait om het uitruilen van portefeuilles, maar om het oplossen van maatschappelijke opgaven. In zo’n visiegedreven coalitieprogramma staan feiten en haalbaarheid centraal. Idealiter formuleert het kabinet heldere doelstellingen (“wat willen we bereiken?”) en wijzen daarna taken toe, in plaats van te beginnen met “welke partij krijgt wat?”. Zo’n aanpak vergt technocratische elementen: onderwerpen gaan voor politieke voorkeuren.
Kamerleden zoals Pieter Omtzigt en Sjoerd Dijk (SP) riepen al dat mensen “een langetermijnvisie” verwachten. Dit betekent een akkoord waarin fundamentele keuzes worden gemaakt náár oplossingen, niet om politieke winst. Aansprekend is de insteek van de nieuwe premier Schoof, die zegt te kiezen voor resultaat boven partijpolitiek. Hij belooft “in 2024 grote problemen aan te pakken” en het vertrouwen in de overheid “te herstellen” door daadkracht en samenwerking. Deze ‘bevlogen pragmatiek’ moet volgens hem leiden tot huizenbouw, sterkere economie en groene groei.
Juist nu willen veel kiezers dat verhalen worden gebaseerd op realiteit en bewijs. Zo onderschrijft Van Elsas dat de focus moet verschuiven van conflicten naar inhoud: “Wie bestuurt, moet verantwoordelijkheid nemen voor stabiliteit, niet verder polariseren”. Een transparant visiedocument – met beloftes toegelicht en geplande maatregelen onderbouwd – kan het vertrouwen vergroten. Zoals hij stelt: “Een goed uitgelegd compromis is beter dan een loze belofte”.
Tegelijkertijd moeten we de democratische controle niet vergeten. Een technocratische werkwijze kent gevaren. Onderzoekers waarschuwen dat als beleid slechts op efficiëntie wordt afgestemd, de ideologische keuzes naar de achtergrond verdwijnen. Duidelijkheid over wie voor welk beleid verantwoordelijk is, is essentieel voor verantwoording. Daarom blijft het belangrijk dat er nog steeds politici uit het parlement meebeslissen, en dat burgers bij elke stap kunnen checken wie waarvoor koos.
Een partijonafhankelijk akkoord hoeft niet de parlementaire democratie af te schaffen. Maar de ingezette patstelling vraagt wél bestuurlijke hervorming: bijvoorbeeld het experimenteren met onafhankelijke experts, onafhankelijke adviesraden of minderheidskabinetten met stabiel meerderheidssteun. Ook kan gedacht worden aan vaste langetermijnprogramma’s waaraan geen normale kabinetsdood kan tornen. Het doel is een breuk met de kortetermijntroebelheid.
Idee?
Nederland kampt momenteel met politieke breuklijnen en wantrouwen: een versnipperde Kamer, kabinetten met wisselend beleid, en burgers die vraagtekens zetten bij de daadkracht van de overheid. De moeizame formatie 2023-’24 en de beleidsimpasses rond klimaat, zorg en migratie illustreren dat het systeem vastgelopen is. Daarom is er brede steun voor een koers waarin ambtenaren en politici samen volgens een langetermijnvisie handelen – een regeerakkoord dat de gedeelde opgaven en feiten vooropstelt. Zo’n aanpak kan het kabinet houvast bieden én het publiek laten merken dat er serieus wordt gewerkt aan oplossingen in plaats van tegenstellingen. Daarbij blijft de macht van de kiezer gewaarborgd, maar is hervorming nodig om de besluitvorming minder slagvaardig en minder ruisgevoelig te maken. Alleen zo kan de politiek haar vertrouwen én haar vermogen om grote maatschappelijke uitdagingen aan te pakken herstellen.


