Hoe vernieuw je een overheid zonder haar fundamenten te ondermijnen?

De Nederlandse staat kraakt onder nieuwe druk – maar is nog niet gebroken. In het publieke debat klinken schrille waarschuwingen: het toeslagenschandaal, vastgelopen ICT-projecten en falende woning- en zorguitvoering wijzen op zwaktes. Toch blijft de rechtsstaat overeind: verkiezingen verlopen ordelijk en politie en justitie genieten hoog vertrouwen. Het probleem is geen ‘kapot land’, maar een overbelaste staat die worstelt met wetgevingsexplosie, versnipperd bestuur, technologische transformatie en dalend vertrouwen. Als onafhankelijk observant valt op dat geen revolutie, maar gerichte aanpassingen nodig zijn – zoals een cardioloog niet het hele hart vervangt maar juist goed afstelt.

Signalen van overbelasting en spanningen

De afgelopen jaren zijn als een stress-test voor het bestuurlijke apparaat geweest. Systemische zwaktes kwamen in het licht – niet alleen ééndimensionaal falen, maar vooral uitputtingsverschijnselen. Zo werd zichtbaar dat beperkte ICT-capaciteit en ingewikkelde wetgeving combinaties van regels veroorzaken die uitvoering saboteren. Een treffend voorbeeld is de kinderopvangtoeslagenaffaire: tienduizenden ouders werden onterecht van fraude beschuldigd en moesten onterecht geld terugbetalen, vaak met rampzalige gevolgen als huisverlies en ontslag tot gevolg. De oorzaak lag niet in een plots falende overheid, maar in een overmatig complexe opzet waarin geautomatiseerde selectie – zonder menselijke toets – leidde tot discriminatie. Dat soort incidenten tast het vertrouwen aan: anno 2025 vertrouwt nog geen derde van de Nederlanders op hun politieke leiders.

Tegelijkertijd wijzen de cijfers op een meer genuanceerd beeld. Terwijl het vertrouwen in politici laag is, zijn Nederlanders relatief tevreden over concrete overheidsdiensten en hebben zij hoog vertrouwen in politie en justitie. De staat functioneert – ondanks de ruis – in de kern nog steeds: veiligheidsdiensten doen hun werk en vitale publieke diensten draaien door. Internationaal gezien scoort Nederland bovendien hoog op bestuurs- en rechtsstatelijke indicatoren. Zo rapporteert de Wereldbank dat ‘government effectiveness’ en ‘rule of law’ met scores rond 1,6 (op een schaal -2,5 tot +2,5) tot de beste ter wereld behoren. Ook de Corruption Perceptions Index plaatst Nederland bij de top tien minst corrupte landen (CPI-score 78). Daarmee is Nederland duidelijk géén fragiele staat, maar een complexe staat. Signalen van overbelasting kunnen gezien worden als vroege waarschuwingen, niet als onherstelbare breuken.

Geen revolutie, maar gerichte vernieuwing

Radicale restructurering werkt vaak averechts – dat onderstreept de beleidservaring wereldwijd. Net als bij de toeslagenaffaire geldt ook hier: groots inzetten zonder capaciteitsoorzaken aan te pakken, leidt tot teleurstelling. Wetenschappelijke studies spreken van ‘capability traps’: landen nemen best practice-instellingen over, maar de uitvoering blijft achter doordat de onderliggende bureaucratische vermogens ontbreken. Ontwikkelingslanden bouwen scholen, maar het curriculum ontbreekt; overheden lanceren IT-systemen, maar ambtenaren gebruiken ze niet. Dit fenomeen kan illusies van hervorming veroorzaken, geldt in aangepaste vorm ook in rijkere landen.

Beter is het daarom om gerichte verbeteringen door te voeren op cruciale knelpunten. Uit onderzoek naar innovaties binnen de Nederlandse overheid blijkt dat er in 2023–2024 vooral werd ingezet op procesoptimalisaties, en minder op ingrijpende reorganisaties. Praktijkverhalen laten zien dat vergroting van operationele capaciteit, vereenvoudiging van regelgeving, betere inzet van data en heldere taakverdelingen grote impact hebben. Denk aan administratieve ontzuiling: als ambtenaren meer ruimte krijgen om lokaal maatwerk te leveren en efficiënter digitaal samen te werken, verbeteren diensten veel sneller dan via idealistische hervormingsplannen. Deze stap-voor-stap-aanpak past bij de Nederlandse bestuurscultuur: innovatie is het meest succesvol in een wendbare, lerende organisatie, niet in een door-de-modder gaande revolutie.

De burger als partner, niet als decor

Traditioneel werkt beleid vanuit het Binnenhof, met de burger als abstract doelwit. Deze afstand vergroot het gat tussen ambtelijk ontwerp en maatschappelijke realiteit. Willen we vertrouwen winnen én resultaten boeken, dan moet de burger vroegtijdig betrokken worden. Europese richtlijnen over ‘Better Regulation’ benadrukken dan ook dat praktijkervaringen van burgers en bedrijven cruciaal zijn bij beleidsvorming. Dat betekent niet dat elk besluit via referenda gaat, maar wel dat regelgeving uitvoerbaar en begrijpelijk moet zijn. Onderzoek wijst uit dat mensen eerder tevreden zijn als ze zien dat het systeem ruimte biedt om feedback te geven over procedures en dienstverleningskwaliteit. Een participatiecultuur (bijv. regiebureaus, klantpanels) versterkt niet alleen draagvlak, maar signaleert ook vroeg misser. In Denemarken of Duitsland wordt hierop geëxperimenteerd met burgerfora en bestuurlijke experimenten – iets wat ook in Nederland kan helpen om beleid vóór vergunningaanvraag of wetgeving bij te sturen.

Digitalisering als tool en onderdeel van een bestuurscultuur

Nederland is koploper in digitale dienstverlening, maar dat brengt ook valkuilen. Uit de Europese eGovernment Benchmark blijkt dat 96% van alle Nederlandse overheidsdiensten online beschikbaar is (tegen 88% EU-gemiddeld). En de Nederlandse websites scoren hoog op gebruiksvriendelijkheid: veel formulieren zijn al vooraf ingevuld met persoonlijke gegevens. Hiermee behoren we tot de wereldtop in digitalisering. Ook op het vlak van veiligheid loopt Nederland voor: het enige EU-land waarvan alle digitale overheidsportalen alle cybersecuritycriteria halen. Zulke resultaten illustreren het potentieel van technologie om de overheid effectiever en klantvriendelijker te maken.

Maar nieuwe techniek is geen wondermiddel. De lessen uit de toeslagenaffaire zijn ook hier hard: algoritmische risico-inschatting zonder menselijke back-up kan ontsporen. Onderzoek van Amnesty International toonde aan dat bij de toets op kinderopvangtoeslag gegevens over afkomst door systeemlogica onterecht het frauderisico bepaalden. Het kabinet wil nu met wetten als de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (WGS) nóg meer data koppelen. Adviezen van de Raad van State en de Autoriteit Persoonsgegevens waarschuwen echter dat het gebrek aan toezicht op algoritmes en de op stapel staande datawetrechten mensenrechten en privacy in gevaar kunnen brengen. Dit vraagt om duidelijke ethische kaders: wetgeving moet niet vervangen worden door digitale processen, maar juist waken over hun transparantie. Techniek moet overheidstaken verlichten, niet politieke verantwoordelijkheid wegnemen. Anders hollen we straks duizendste procedure na die eerste, zonder ooit inhoudelijk dichterbij het doel te komen.

Formele regels kunnen veel doen, maar de toon van vernieuwing wordt uiteindelijk gezet door cultuur. Bij de rijksoverheid klinkt vaak de klacht dat ambtenaren risico‑avers zijn, intern verkokerd werken en bang zijn voor politieke kritiek. Dit stokt innovatie en vertraagt uitvoering. De Innovatie Barometer Overheid concludeert dat een veilig innovatieklimaat en menselijk kapitaal cruciaal zijn voor succes. Nederlandse ambtenaren geven zelf aan dat steun van leiderschap, samenwerking tussen afdelingen en ruimte voor fouten nodig zijn om te kunnen vernieuwen. Hervormingen blijven papieren processen als medewerkers niet ondersteund worden. Daarom is het breder dan managementtools: het betekent bestuurlijke autonomie geven aan uitvoerders, interne kritiek serieus nemen en vakmanschap waarderen. Een beleidshervorming in een ‘koker’ lukt niet – ook al is de wet bij wet gepeperd.

Eén overheid, geen eilandjes

Maatschappelijke uitdagingen kennen geen departementsgrenzen: stikstof, digitalisering, vergrijzing en terrorisme vragen integraal optreden. Toch belanden verantwoordelijkheden vaak versnipperd in silo’s. De overheid kan effectiever worden door samenhang te zoeken: één heldere regisseur voor complexe dossiers, gemeenschappelijke doelen tussen ministeries en uitwisseling van data. Dit betekent niet méér bureaucratische niveaus, maar juist stukken minder. Nederland kan leren van het Verenigd Koninkrijk, waar ‘joined‑up government’ in praktijk een integrale sociale dienst vormde, of Singapore, waar crisismanagement afdelingen over de departementen heen opereren. Ook binnen onze ketens ontbreekt nog vaak een spin in het web die regie houdt. Door duidelijke mandaten en gedeelde ICT-kaders te introduceren – bijvoorbeeld één herkenbare nationale datalaag – kan het Nederlandse bestuur versnippering tegengaan. Dat vergt politieke moed: het loslaten van wat vanzelfsprekend leek (ministeriële eigenheid) om het geheel steviger te maken.

De lange termijn terug op de agenda

Politieke cycli van vier jaar staan haaks op transities van tientallen jaren. Klimaatadaptatie, vergrijzing, ruimtelijke ordening en digitaliseringsprojecten vragen continuïteit, ook als coalities wisselen. Het Nederlandse staatsbestel kent geen flexcommissie die boven de partijen staat, maar wel een Raad voor de leefomgeving en infrastructuur en een Klimaatwet met vijfjarenplannen. Toch blijkt in de praktijk dat stabiele langetermijnperspectieven kwetsbaar zijn. Denk aan het in- en uitkrimpen van groenbeleid en stikstofmaatregelen per nieuwe coalitie. Om daar uit te komen moet het politieke bestel leren schakelen tussen het acuut en het structurele: vaste doelen (bijv. CO₂-armslag, pensioenklaar maken) onveranderlijk vastleggen, onafhankelijk advies uitnodigen (waarbij de Tweede Kamer niet eenvoudig tussendoor allerlei onderwerpen naar voren schuift) en projecten beschermen tegen korte-termijn politiek (bijv. door overrulen van tussentijdse moties). In de Verenigde Staten bijvoorbeeld bestaat het Office of Management and Budget als balancer voor lange-termijnbudgetten; in Nederland ontbreekt zo’n interne rem of toets. Dat maakt het onderhoud van de staat structureel zwakker. Een ministeriële beleidsagenda moet weer naast de horizon kijken, niet alleen naar de eerstvolgende verkiezingen.

Professionals als bondgenoten

De mensen die beleid uitvoeren weten als geen ander waar de schoen wringt. Leraren, zorgverleners, politieagenten en wethouders zijn dagelijks getuige van de mismatch tussen beleid en praktijk. Hun feedback wordt te vaak genegeerd tot ze in actie komen – denk aan leraren die met vingers wijzen naar bureaucratische rekentoetsen, of artsen die roepen dat zorgplannen juridisch, niet menselijk, schrijven. De overheid zou hen als partners in vernieuwing moeten beschouwen. Praktijkvoorbeelden laten zien dat leerprogramma’s, gezamenlijk monitoring en vermindering van micromanagement effect hebben. Zo heeft de politie in sommige regio’s pilots uitgeprobeerd waarbij agenten zelf beslissen hoe zij verkeersonveiligheid aanpakken, met veelbelovende resultaten. Zulke bottom-up-inzichten moeten een structurele plek krijgen in wetgevende en beleidsprogramma’s – bijvoorbeeld door uitvoeringsorganisaties eerder adviesrecht te geven bij wetsvoorstellen of evaluaties. Uiteindelijk mag niet elke nieuwe regel als mantra bedoeld zijn, maar moet hij het vakmanschap van professionals ondersteunen en verbeteren.

Ook succesmetingen moeten mee-evolueren. Budgetten, plandata en getallen over doorlooptijden blijven handig, maar zijn óók valkuil. Een overheid excelleert volgens onderzoek pas écht in de basisbehoefte van zij die ze dienen, wanneer toegang tot diensten, ervaren rechtvaardigheid en een algemeen vertrouwen wegblijven van de meetlat. De kwaliteit van de dienstverlening kan weleens belangrijker zijn dan het voldoen aan 100 indicatoren. Nederlandse bestuurders kunnen overwegen om meer outcome-gerichte indicatoren in te voeren: bijvoorbeeld publieksmetingen van begrijpelijkheid van overheidscommunicatie, nulmeting rechtvaardigheidstoetsen in regelgeving, of tracking van maatschappelijke effecten zoals echtscheidingscijfers na wetswijzigingen. Europese studies wijzen erop dat “what gets measured gets done” – en “what is not measured, verdwijnt uit beeld”. Door deze soft indicators serieus te nemen kan de overheid bijsturen op zaken waar mensen écht last van hebben.

Vernieuwing is ook een normatieve keuze

Het debat over de rol van de staat blijft essentieel: willen we een Staat die domineert of een Staat die faciliteert? Een controlerende of een ondersteunende overheid? Ons poldermodel heeft altijd geleund op compromis: een evenwicht tussen sterke instituties en maatschappelijke vrijheid. Nu dat maatschappelijk verzet afneemt, dient de overheid deze balans actief te bewaken. Hervormingen zijn per definitie normatief: elke herprioritering laat zien welk beeld van de samenleving de politieke elite heeft. Nederland valt op door gematigdheid; waarom dat veranderen? Een plausibel toekomstbeeld is een overheid die krachtig blijft waar nodig (rijksbeleid in klimaat of defensie, checks & balances) maar tegelijkertijd verantwoording afstaat waar het kan (regionaal bestuur, experimenteerruimte, private initiatieven). Dat betekent: niet strenger, maar slimmer sturen. Niet de overheid heruitvinden, maar beter laten aansluiten bij de dynamiek van burgers en bedrijven.

In andere woorden, precisie boven spektakel. Bestuurlijke vernieuwing vraagt geen breekijzer, maar chirurgische ingrepen. De signalen wijzen niet op het einde van ons stelsel, maar op noodzakelijke bijstellingen. Geen glorieuze hervormingsgrillen, maar een reeks slimme, kleine verbeteringen die het fundament van de Staat ongeschonden laten. Niet hupsen van mode naar mode, maar stap voor stap de vaatjes op orde stellen die het hele systeem van bloed voorzien. De Nederlandse overheid hoeft niet opnieuw uitgevonden te worden, maar wél verhelderd en versterkt – in dialoog met de samenleving, met respect voor onze tradities, en met een diepe focus op wat écht werkt. Alleen zo blijft de Nederlandse staat veerkrachtig als de wereld beweegt.

Laat een reactie achter

Scroll naar boven