Het lange traject naar democratie
De wortels van de Nederlandse democratie reiken terug tot de Bataafse Republiek aan het eind van de 18e eeuw. In 1798 trad de eerste ‘burgerlijke’ grondwet in werking: onder invloed van de Franse Revolutie werden alle burgers gelijk voor de wet en kregen velen burgerrechten. Die fase was echter van korte duur. Nadat Napoleon verslagen werd, herstelde in 1815 het koninkrijk met een nieuwe monarchie waarover nog weinig democratische controle bestond. Pas de grondwetshervorming van Thorbecke in 1848 maakte een einde aan het ancien régime en vestigde een parlementaire staatsvorm. Thorbecke’s Grondwet schiep een regering-verantwoording aan een parlement, leidde langzaamaan tot uitbreiding van kiesrecht en publieke inspraak, en legde de basis voor wat we nu een parlementaire democratie noemen. Door geleidelijke wetswijzigingen kwam in 1917/1919 algemeen kiesrecht tot stand (inclusief vrouwenkiesrecht), waarmee vrijwel alle volwassen Nederlanders inspraak kregen. Voor het eerst was de samenstelling van de Tweede Kamer daadwerkelijk het resultaat van een volstrekt volkssoevereine keuze.
Hoewel deze mijlpalen vaak genoemd worden, tekent historica Remieg Aerts een belangrijk aanvullend beeld: de praktijk van democratie bleef tot halverwege de twintigste eeuw paternalistisch en gesegregeerd. Partijen waren stevig ingebed in zuilen (protestant, katholiek, socialistisch, liberaal) en keken vaak nog stevig mee bij beleidsbeslissingen. “De democratie werd grotendeels gedragen door gevestigde instituties en elites”, aldus Aerts. Pas vanaf de jaren 1960 kwam er nieuwe dynamiek. Burgers – gestuurd door emancipatie en educatie – eisten meer invloed en rechten. Nieuwe partijen zoals D66 (1966) en later GroenLinks, SP, PvdA-vernieuwers en anderen vestigden zich als antwoord op thema’s als democratisering, milieu en sociaal-maatschappelijke verandering. Tegelijk ontstond een voorzichtige erkenning dat een grondwetswijziging nodig was om het staatsbestel modern te maken. In 1983 kreeg Nederland zijn huidige grondwet, waarin de parlementaire democratie en grondrechten nog steviger zijn verankerd.
Een tijdlijn
- 1798-1815: Eerste Republiek (Bataafse Republiek): alle burgers gelijk, grondwet op basis van Franse idealen . Nadien restauratie van de monarchie (tot 1848).
- 1848: Thorbecke hervormt de Grondwet; Nederland krijgt een monarchie-parlementair stelsel met geleidelijk meer kiesrecht voor rijke burgers .
- 1917-1919: Pacificatiewet bereikt algemeen kiesrecht voor mannen en – in 1919 – ook voor vrouwen. Het volk bepaalt voortaan massaal de Tweede Kamer.
- 1946-1960: De verzuilde 4-partijenstelsel (KVP/ARP/CHU, PvdA en VVD) leidt tot relatief stabiele coalities binnen de verzuiling.
- 1960s-1980s: Ontzuiling en nieuwe bewegingen: D66 breekt het traditionalistische patroon, ook progressieve en groengedachte partijen ontstaan .
- 2002-heden: Verkleuring van het electoraat en fragmentatie: LPF (2002), PVV (2006), FvD (2015) en BBB (2019) winnen zetels. Coalities met 5–7 partijen zijn sinds kort de norm.
Deze geschiedenis benadrukt dat democratie in Nederland niet als lichtknop ineens ‘aan’ ging, maar stap voor stap inhoud kreeg. Het stemrecht is vergroot, instituties werden hervormd en het politieke landschap is verruimd. Tegelijk blijkt dat de klassieke zuilen het democratisch spel slechts deels open hielden – pas met ontzuiling en moderne grondwetsherzieningen werd het systeem opener en participatiegerichter.
Het ontstaan van het partijenstelsel
Rond 1848 en het begin van de twintigste eeuw vormden zich de eerste groeperingen die we nu als politieke partijen herkennen. Destijds was dat vooral een samenkomen van parlementariërs rondom gemeenschappelijke ideologieën (confessionelen, liberalen, socialisten). De rol van burgers bij die formatie bleef beperkt. Pas toen in 1917/1919 de principes van algemeen kiesrecht werden vastgelegd, ontstond voor het eerst een echt partijenstelsel. Door de verzuiling na de Tweede Wereldoorlog kregen partijen vaste electorale basis – elke bevolkingsgroep (rooms-katholieken, protestanten, socialisten, liberalen) had zijn eigen politieke organisaties. Dit zorgde voor een stabiel systeem, maar met beperkte doorstroom van nieuwe geluiden.
Rond 1966 verschoven de machtsverhoudingen: secularisatie en opleving van democratische idealen leidden tot oprichting van nieuwe partijen als D66, GroenLinks en PS (later SP), die actief kozen voor meer directe inspraak en pluralisme. Tegelijk trad de verzuiling af als bindende factor. In recente decennia is het partijenveld meer gefragmenteerd dan ooit: kleinere en extreme partijen (LPF, PVV, JA21, BBB, etc.) deden opeenvolgend hun intrede, mede dankzij het lage kiesdrempelstelsel. Het aantal fracties in de Tweede Kamer ligt sinds kort op acht of meer, waar dat midden 20e eeuw de helft was zo’n vier a vijf. De meerpartijencoalitie – de Nederlandse consensuspraktijk – is nog altijd de spil van ons systeem, maar politieke vluchtigheid neemt toe.
Hoe democratisch zijn de partijen zelf?
Het Nederlandse partijenstelsel is formeel democratisch, maar de interne werkwijze van partijen kan sterk verschillen. Volgens de kieswet moeten partijen een “vereniging” met minstens 1.000 leden zijn – dus formeel een intern democratisch karakter hebben (bestuur benoemd door ledencongres). Dat stelt wel een minimumnorm. In de praktijk is het wettelijk vereiste lidmaatschapsmodel niet altijd synoniem met échte ledeninvloed. Politicologen waarschuwen dat de wet deze interne partijstructuur bewust terughoudend regelt. Zelfs partijen zonder leden (zoals de PVV) kunnen wettelijk deelnemen zolang kiezers een alternatief opzetten. Veel dwingende voorschriften ontbreken.
Diverse voorstellen in debatten illustreren het spanningsveld: D66 pleit bijvoorbeeld wettelijk verankering van interne partijdemocratie – wat de PVV in zijn huidige vorm onmogelijk zou maken. Ook het CDA wil in een nieuw partijenrecht expliciet interne democratie afdwingen. Zonder zulke regels blijft het partijlandschap een mix: grootmachtspartijen als PvdA, VVD en CDA hebben duizenden leden en interne regels (soms ledencongressen of verkiezingen voor leiderschap), terwijl populistische nieuwkomers als PVV en JA21 feitelijk rond één leider functioneren en nauwelijks ledeninspraak kennen.
- Formele eisen: Sinds de Kieswet van 1989 moeten partijen minstens 1.000 leden hebben en een bestuur kiezen via een ledenvergadering. In theorie verzekert dit een minimale ledeninvloed.
- Debat over wetgeving: Critici merken op dat bovenstaande eis alleen vorm regelt, niet feitelijke macht: PVV en FvD laten bijvoorbeeld de partijtop vrijwel onbeperkt coöptatiebevoegdheid, ondanks formele ledenstructuur. D66 en CDA willen daarom interne democratie wél wettelijk verankeren.
- Selectie van leiders: Partijen verschillen sterk in hoe lijsttrekkers en kandidaten worden gekozen. In ‘éénman-éénstem’-congressen (bijv. D66, PvdA of GroenLinks) beslist de ledenbasis vaak tussen meerdere kandidaten, terwijl bij andere partijen de top al zo goed als vast staat. Historisch was veelal de zittende leider onomstreden; pas onlangs voeren steeds meer partijen (CDA, PvdA, GroenLinks etc.) open interne verkiezingen voor hun lijsttrekker.
- Partijtypen: Sommige partijen zijn “ledenpartijen” met een interne structuur, anderen meer stuurloos. Bekende voorbeelden: de PVV heeft feitelijk één lid (Wilders) en geen ledencongres, terwijl bijvoorbeeld de VVD of PvdA duizenden leden hebben en formele afdelingen. Als illustratie: de PVV weet ‘echte directe democratie’ te bepleiten voor Nederland, terwijl haar eigen enige lid alle macht heeft.
Kortom, ons partijenlandschap vertoont hier ongelijkheid: enerzijds binding aan democratische principes, anderzijds ruimte voor hiërarchische leiderspartijen. Dat zet vraagtekens bij de representativiteit van kandidatenlijsten en de afstand tussen kiezers en partijtop.
Kandidaten: van stem naar stoel
Bij de verkiezingen bepalen kiezers welke kandidatenlijst de meeste stemmen krijgt en hoe zetels verdeeld worden. Formeel kan iedere Nederlander zich verkiesbaar stellen: daartoe moet een partij of politieke groepering uiterlijk dertig dagen voor de verkiezingen een lijst indienen bij de Kiesraad. Een nieuwe partij zonder zittende zetels moet daarbij minimaal 30 kiezersverklaringen verzamelen (en een waarborgsom betalen) om mee te mogen doen. Partijen die al zetels hadden, hoeven geen handtekeningen te verzamelen.
Wie op een lijst komt hangt af van de interne regels van de partij. De parlementaire encyclopedie stelt: “Het proces waarbij iemand kandidaat wordt gesteld, is afhankelijk van de regels binnen de partij”. Met andere woorden: een aspirant-Kamerlid moet eerst door de partij geselecteerd worden volgens de interne procedures (bijvoorbeeld via een ledenraadpleging, voordracht of bestuur). Er is geen centrale democratische procedure waarbij kiezers de kiezerslijsten van partijen kunnen bewerken; partijen leveren een complete lijst in, en de kiezer kiest. Nieuwe bewegingen omzeilen dit soms: denk aan de Lijst Pim Fortuyn in 2002, die door Pim Fortuyn zelf werd opgericht en zonder klassiek ledenproces kandidaten samenstelde.
Belangrijk is dat partijorganisaties bepalen wie ‘bovenaan’ komt te staan. Uit analyses blijkt dat lijsttrekkers meestal ervaren politici zijn (voormalig minister of Kamerfractievoorzitter). Bij kleinere- of splinterpartijen kunnen ook buitenstaanders aan kop komen (denk aan Jan Marijnissen bij SP of Hans van Mierlo bij het begin van D66). Kortom: achter de schermen van de kieslijsten zit vaak een mix van interne machtsafspraken en formele statuten; de kiezer ziet alleen het resultaat.
Wie vertegenwoordigt ons? Achtergronden van de Kamer
Gekeken naar de sociaaldemografische samenstelling van onze volksvertegenwoordiging. Recente onderzoeken tonen onmiskenbaar aan dat de Tweede Kamer nog verre van een doorsnee afspiegeling van de Nederlandse bevolking is. De Kamer bestaat voor ongeveer 60–65% uit mannen, terwijl in de bevolking de verhouding ongeveer 50/50 is. Het aandeel Kamerleden met een migratieachtergrond lag volgens schattingen in 2021 op ruim 17–19%, vergeleken met circa 25% in de totale bevolking. Dat betekent dat mensen met bijvoorbeeld een niet-westerse achtergrond nog steeds ondervertegenwoordigd zijn. Wel valt op dat er nu historisch veel Kamerleden van kleur in zitting zijn: na de verkiezingen van 2021 ging met 28 zetels zo’n 19% van de Kamer naar mensen met migratieachtergrond – nog steeds minder dan in de samenleving, maar een record in Nederland én in vergelijking met Duitsland, Spanje, VK en Zwitserland.
Wat opleiding betreft is het verschil nog opvallender. De Kamer bestaat voor het overgrote deel uit hoogopgeleiden. Zo blijkt uit prognoses dat zo’n 80–90% van de Kamerleden een hbo- of universitaire studie heeft afgerond. In 2021 was nog maar 11% van de Kamerleden (ongeveer 3 personen) mbo-opgeleid; het merendeel (ruim 80%) is wetenschappelijk gevormd. In de bevolking heeft ongeveer 41% zo’n studieachtergrond, dus lagere opleidingsniveaus zijn grotendeels afwezig in het parlement. Dit soort onevenwichtigheid is al langer onderwerp van kritiek: “Nederland wordt bestuurd door burgers met de hoogste diploma’s”, noteerden politicologen Bovens en Wille al in 2011, en hun conclusie lijkt vooralsnog onveranderd.
Ook sociale en professionele achtergronden lopen uiteen. De oude zuilpartijen boden vaak kadercursussen of vakbondstrajecten aan, waardoor enkele SP- of PvdA-Kamerleden arbeidersachtergrond hadden. Bij VVD, CDA en PvdA komen traditioneel de meeste politici uit hogere beroeps- en bestuurlijke middens. De nieuwe partijen laten gemengde beelden zien: de PVV haalde bijvoorbeeld in 2006 negen zetels met een kandidatenlijst van relatief onervaren mensen (enkele voormalige LPF’ers). Veel kiezers zien daardoor de Kamer als een elitair corps van academici, ondernemers en voormalige bewindslieden. Onderzoek wijst uit dat niet alleen opleiding, maar ook afkomst, netwerk en mentorcontacten een grote rol spelen in wie politiek maakt. Partijen als PvdA hebben actief gelobbyd kandidaten met een migratie-achtergrond te vinden, terwijl rechts vaak minder diversiteit binnenhaalt. Desondanks blijft het algemene beeld van de Tweede Kamer: hoogopgeleid, overwegend wit, en met traditionele politieke carrières, met slechts marginaal meer vertegenwoordiging van vrouwen en allochtonen dan vroeger.
Democratie in het nauw
Ondanks deze ontwikkelingen staat het Nederlandse democratische stelsel niet buiten discussie. Vertrouwen in de politiek is laag; na recente kabinetsonderhandelingen rapporteerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat nog maar een fractie van de bevolking écht vertrouwen heeft in politici. In 2025 stelde de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) vast dat het vertrouwen na de val van een kabinet zelfs slechts 4% bedroeg. Veel burgers voelen zich niet gehoord en ervaren dat politici te weinig luisteren. Dat maakt het systeem kwetsbaar: als kiezers geen verschil meer zien tussen partijen, kunnen populistische en antidemocratische stemmen een kans krijgen. Daarnaast wordt de democratische spelruimte beperkt door de groeiende versplintering – te veel partijen maken snelle besluitvorming lastig – en door de toenemende polarisatie.
Populisme zelf wordt vaak gezien als bedreiging. Toch wijzen analisten erop dat conflict juist inherent is aan democratie. NRC-journalist M. Lievisse Adriaanse meent dat het beter is de maatschappelijke tegenstellingen in het politieke debat te krijgen dan onder de pet te houden. “Een democratie functioneert juist door conflicterende visies in de politiek op tafel te leggen,” schrijft hij. Anders gezegd: onenigheid vormt de kern van verkiezingen. Volgens deze visie hoeft polariteit niet per se een inbreuk op de democratie te zijn, zolang de instituties werken en elke stem telt. Nederland kent nu juist talloze conflictlijnen – milieu versus economie, steden versus platteland, globalisme versus soevereinisme – en die vinden hun weg via partijen als GroenLinks én BBB. De uitdaging is dan om die botsingen fatsoenlijk te laten verlopen, zonder het systeem te ondermijnen.
Andere bedreigingen komen van buiten en van technologisch vlak: desinformatie en sociale media kunnen het debat vervormen, en de druk van internationale problemen (populistische invloeden, migratiekramp) legt nieuwe stress op het systeem. Inmiddels trekken onderzoekers langs de democratische meetlat en constateren ze: tot nu toe blijft Nederland hoog scoren qua wetmatigheden en civiele vrijheden, maar geen enkel systeem is immuun voor erosie. Kritische burgers en commentatoren houden daarom scherp in de gaten hoe goed onze instituties nog functioneren.
Kracht en voordelen van ons systeem
Niet alles aan ons stelsel is vanzelfsprekend bedreigend. De parlementaire democratie in Nederland heeft ook grote voordelen gehad. Het consensusmodel van Nederland staat wereldwijd bekend: brede coalities dwingen partijen tot compromissen. Zo wordt beleid uiteindelijk door allerlei groeperingen gedragen, wat stabiliteit geeft. Kiezersbewegingen tussen partijen zijn daarnaast relatief fluïde: als een partij tekortschiet, komt er vaak een nieuw alternatief (denk aan de snelle opkomst van Forum voor Democratie of BBB als reactie op onvrede). De nabije banden tussen (voorheen) zuilorganisaties en de overheid hebben lang gezorgd voor sociale vrede en integratie. Verder biedt de democratie ons vrijheid van meningsuiting, pers en organisatie, waardoor maatschappelijke problemen zichtbaar worden en kunnen worden aangepakt via politieke wegen – beter dan via ongeregeld geweld of revolutie.
De eenvoud van het evenredig kiesstelsel is ook een zegen: vrijwel elke stem telt, en kleine partijen krijgen sneller kans om door te breken. Dit maakt het mogelijk dat groepen die elders uitgesloten worden, toch vertegenwoordiging krijgen (bijvoorbeeld nieuwe sociale groepen of regio’s). Het goede nieuws is dat de pluraliteit van stemmen in Nederland historisch tot relatieve armoede aan extremen heeft geleid: extreme partijen haalden in het verleden nooit de meerderheid (in tegenstelling tot sommige buurlanden). Daarmee bewijst het systeem – mits partijen en kiezers het serieus nemen – zijn veerkracht.
Versterking en vernieuwende voorstellen
Hoe kan de Nederlandse democratie sterker worden, gegeven deze uitdagingen? Diverse denkers en politieke partijen doen suggesties, vaak langs twee lijnen: meer directe burgerparticipatie en sterkere interne partijdemocratie.
- Directe democratie: Een veelgenoemd idee is het instellen van (bindende) referenda. Al in 2022 kreeg Nederland politiek goedkeuring voor het bindend correctief referendum bij wetswijzigingen. Veel partijen staan hier positief tegenover: de PVV, GL–PvdA, D66, SP, PvdD en anderen hebben zich uitgesproken voor landelijke en lokale referenda om burgers actief invloed te geven op besluitvorming. Ook pleiten zij voor meer burgerberaden – loten van representatieve groepen burgers die over lastige vraagstukken in gesprek gaan. Zo kan volgens de ROB een burgerberaad helpen de wensen van burgers scherp te krijgen en tegelijkertijd het algemeen belang in het oog te houden. Door dergelijke directe en deliberatieve instrumenten toe te voegen (bijvoorbeeld nationale burgerfora of consultaties), streven voorstanders ernaar het gevoel van inspraak te vergroten.
- Lokale invloed: Men stelt vaker in te grijpen in lokale democratie. Zo pleiten meerdere partijen voor directe verkiezing van burgemeesters en grotere betrokkenheid van inwoners bij gemeentelijk en regionaal bestuur. GroenLinks–PvdA wil het lokale bestuur versterken en afschaffing van bestuurlijke dubbelfuncties om lokale politici meer ruimte te geven. JA21 en BBB benadrukken ‘de overheid naar de regio’ brengen: commissies in het land vergaderen, lokale initiatieven ondersteunen. Daarmee wordt gestreefd naar bestuur dat dicht bij de burger staat.
- Interne partijdemocratie: Zoals gezegd verschillen partijen intern sterk. D66 heeft voorgesteld in de wet vast te leggen dat alle partijen intern democratisch georganiseerd moeten zijn. Ook het CDA wil dat in een nieuwe Partijenwet eisen voor ledenbestuur en verkiezingen komen . Dit zou open leiderschap bevorderen. Daarnaast pleiten sommigen voor een kiesdrempel om extreme fragmentatie tegen te gaan, of voor transparant bestuur (lobbyregister).
- Andere hervormingen: Sommige partijen maken concrete voorstellen:
- Kiesgerechtigde leeftijd verlagen naar 16 jaar (GL–PvdA, PvdD).
- Het aantal Kamerleden uitbreiden (GL–PvdA, D66, PvdD) zodat men meer divers talent kan opnemen.
- Politiek funding en training uitbreiden om diversiteit te vergroten, en actieve rekrutering ondersteunen.
- Verordeningen versterken om de gedachtewisseling (Tegenstem, moties) beter te volgen.
Deze lijst is niet uitputtend, maar geeft een beeld van mogelijke routes. Veel voorstellen hebben als doel de kloof tussen kiezers en bestuur te verkleinen en de responsiviteit te verhogen. De Raad voor het Openbaar Bestuur benadrukt dat alleen aanvullingen zoals referenda en burgerberaden niet genoeg zijn – de uitkomsten moeten ook serieus worden opgevolgd. Zolang voorstellen niet effectief worden uitgevoerd, blijft het wantrouwen groot.
Als een goed huwelijk
Democratie blijft een werkwoord: het vereist voortdurende aandacht en vernieuwing. De Nederlandse parlementaire democratie staat nu steviger dan ooit dan in de 19e eeuw, maar ondervindt nieuwe spanningen. De uitdaging is om de voordelen te behouden – brede inspraak, consensuscultuur en rechtsstaat – terwijl we minderheidsgroepen beter vertegenwoordigen, partijen transparant houden en burgers meer laten meebeslissen. Dit vereist zowel institutionele hervormingen (zoals referenda en partijwetgeving) als een cultuurverandering binnen de partijen en kabinetten. Voor de goed geïnformeerde burger en wetenschapper is duidelijk dat democratie meer is dan verkiezingen; het gaat om een complex samenspel van structuren en mensen. Alleen door die thema’s te analyseren – zoals we hebben gedaan via kiezers, kandidaten en hun achtergronden – kan het gesprek over de toekomst van de democratie gevoerd worden.

