Naar een eenvoudig belastingstelsel.

Één InkomensBelasting en één Transactiebelasting

Inkomensbelasting, btw, accijnzen, vennootschapsbelasting, motorrijtuigenbelasting, erf- en schenkingen. Het Nederlandse fiscaal overzicht staat vol. Onnodige complexiteit, dubbele heffing en administratieve rompslomp zijn vaak de prangende kritiekpunten. Kan een radicaal ander systeem – met slechts één geïntegreerde inkomensbelasting én één brede heffing op alle transacties – uitkomst bieden? We zetten het huidige systeem op een rij, bespreken dit vereenvoudigingsvoorstel en rekenen de effecten op begrotingsinkomsten en uitvoeringskosten door.

Huidig belastingsysteem in vogelvlucht

Nederland kent een uitgebreid belastingstelsel met zowel directe als indirecte heffingen. Directe belastingen worden direct door de burger of onderneming aan de overheid betaald, zoals:

  • Inkomstenbelasting (box 1, progressief tarief tot 49,5%).
  • Loonbelasting (via werkgevers ingehouden bronbelasting).
  • Vennootschapsbelasting (winstbelasting bedrijven).
  • Dividendbelasting (belasting op winstuitkering aan aandeelhouders).
  • Erf- en schenkbelasting.
  • Kansspelbelasting.
  • Vermogensrendementsheffing (box 3; een fictief rendement van sparen en beleggen, 36% tarief).

Indirecte belastingen zijn in prijzen doorberekend en dus minder zichtbaar. Bekende voorbeelden zijn:

  • Omzetbelasting (btw): standaardtarief 21%, verlaagd tarief 9% voor levensmiddelen, medicijnen etc. (opbrengst ≈ €75,9 mld in 2023).
  • Accijnzen: op brandstof, alcohol, tabak (opbrengst ≈ €11,5 mld in 2023).
  • Belasting personenauto’s en motorrijwielen (bpm/mrb): registratiebelasting voor nieuwe auto’s en periodieke wegenbelasting (samen enkele miljarden).
  • Milieu- en energiebelastingen: o.a. energiebelasting (≈€8,5 mld in 2023).
  • Lokale belastingen: onroerendezaakbelasting (OZB, ≈€5,2 mld), riool-, afval- en andere gemeentelijke heffingen.

In totaal incasseerde de Nederlandse overheid in 2023 zo’n €407,6 miljard aan belastingen plus sociale premies. Hiervan bedroeg het belastingdeel (exclusief premies) circa €278,3 miljard. Ter vergelijking: de loon- en inkomstenbelasting leverde toen ruim €87,9 mld op (loonbelasting €75,3 mld; inkomstenbelasting €12,7 mld). Andere belangrijke inkomstenbronnen waren: vennootschapsbelasting €47,5 mld, dividendbelasting €11,4 mld, en premies volksverzekeringen (AOW, WW, Zvw) samen nog eens ≈€129,3 mld.

Bij de indirecte heffingen was de btw-opbrengst met €75,9 mld verreweg het grootst, gevolgd door accijnzen (€11,5 mld). De meeste consumenten merken dit in de prijzen: op een elektronica-aankoop van €1.000 betaalt u nu bijvoorbeeld €210 btw, terwijl over voedsel doorgaans 9% btw gerekend wordt.

Dit complexe stelsel kent talloze uitzonderingen, vrijstellingen en aftrekposten (hypotheekrenteaftrek, zorgkosten, startersaftrek, etc.). Ook zijn er diverse heffingskortingen en toeslagen. Het gevolg is hoge administratieve lasten voor burgers en bedrijven, én stevige uitvoeringskosten bij de Belastingdienst.

Het vereenvoudigingsvoorstel: één IB en één TT

Een vereenvoudigd stelsel kijkt naar de wens van transparantie en efficiency. Alle directe inkomsten (werk, winst, vermogen) worden onder één InkomensBelasting (IB) gebracht, en alle uitgaven en geldstromen worden belast met één uniforme TransactieTax (TT). Drie kernprincipes:

  • Geïntegreerde inkomensbelasting: Er komt één progressief tariefstelsel met enkele schijven (bijvoorbeeld tot €35k – middel – >€120k) dat zowel loon- als ondernemersinkomsten omvat. Sociale premies (AOW, WW, Zvw) zitten in dat tarief vervat. Lagere inkomens krijgen een ruime vrijstelling of zelfs een negatieve bijdrageregeling zodat ze een gegarandeerd minimum overhouden. Dit vervangt het huidige boxenstelsel en gescheiden premies. Alle complexiteit van fictief vermogen (box 3) en diverse aftrekposten kan hiermee vervallen.
  • Brede transactietax (TT): Elke relevante betaling – van de aanschaf van boodschappen tot het overboeken van aandelen – wordt belast tegen een laag percentage (bijvoorbeeld 0,5–1,0%). Interne boekingen binnen één rekening of andere dubbelbelaste overschrijvingen worden gecompenseerd of vrijgesteld. De TT vervangt btw, accijnzen en veel andere indirecte heffingen. Essentiële goederen en diensten kunnen worden ontzien via bijvoorbeeld automatische ‘negatieve TT‑compensaties’ (wekelijks of maandelijks teruggestorte bedragen voor basisuitgaven).
  • Geen aparte vermogensbelasting: In het nieuwe stelsel wordt vermogen niet meer apart belast. Wie vermogen bezit, betaalt alleen belasting als dit leidt tot daadwerkelijke bestedingen of inkomen. Dit sluit aan bij de wens van veel burgers: geen dubbelbelasting op al eerder belaste inkomens of louter het bezit van spaargeld. Een woningbezitter die niet verkoopt, betaalt geen vermogensbelasting meer; pas bij verkoop of verhuizing wordt TT afgedragen.

Belangrijk is dat het stelsel zowel rendementseffecten als uitvoeringslasten minimaliseert. Met één uniforme IB-schaal vervallen veel van de huidige ‘incentiveproblemen’ (bijvoorbeeld dubbele heffing bij winstuitkering), en het wegnemen van btw haalt een tariefsgrond (consumptie) terug uit het economische circuit. Deze aanpak kan de administratieve rompslomp voor burgers én de uitvoeringskosten voor de overheid flink verlagen.

Een vergelijk. Huidig versus voorgesteld stelsel

  • Inkomensheffing:
    • Huidig: een ingewikkelde box- en aftrekstructuur met tarieven van 36–49,5% (box 1), plus losse vermogensheffing.
    • Voorstel: één progressief tariefmodel (bijv. drie schijven) met premies inbegrepen. Geen aparte boxen, geen ingewikkelde aftrekregelingen.
  • Consumptieheffing:
    • Huidig: een btw van 21% (9% op basisgoederen) plus accijnzen op brandstof, alcohol en tabak. Daarnaast motorrijtuigen- en energiebelasting.
    • Voorstel: één lage transactiebelasting (TT) (bijv. 0,5%) op alle betalingen. Dit betekent dat een smartphone van €1.000 nu €210 btw kost, maar onder TT slechts €5 (0,5%) — een grote lastenverlichting voor consumenten.
  • Vermogen:
    • Huidig: box 3 neemt een fictief rendement als grondslag (effectief ~0,5–1,2% per jaar).
    • Voorstel: geen aparte vermogensheffing. Wie spaart of belegt, betaalt alleen wanneer er feitelijke transacties plaatsvinden of inkomsten vloeien.
  • Administratie:
    • Huidig: veel verschillende aangiften (IB, btw, erfbelasting, etc.) en aparte inning door Rijk, provincies en gemeenten.
    • Voorstel: één jaarlijkse IB-aangifte voor de burger; de TT wordt automatisch geïncasseerd via het betalingsverkeer. Dit kan de opeenvolging van controles en handhavingskosten sterk verminderen.

Tabel: eigenschappen huidig versus nieuw stelsel

KenmerkHuidig systeemVereenvoudigd voorstel
InkomensheffingComplex box- en aftrekstelsel; tarieven ca.36–49,5%Één progressief tarief, premies inbegrepen
ConsumptieheffingBTW 21%/9% + accijnzen (brandstof, tabak etc.)Één lage transactiebelasting (TT, bv. 0,5%)
VermogenBox 3 fictief rendement (vermogensbelasting)Geen aparte vermogens- of erfbelasting
AdministratieVeel aangiften en controleketensEén IB-aangifte; TT-incasso via bank/payments

Financiën: actuele opbrengsten en tarieven

De begroting moet ook na transitie ongeveer €380–410 mld per jaar opleveren. CBS rapporteert voor 2023 €412,9 mld aan belastingen en premies. Loon- en inkomstenheffing (incl. volksverzekeringen) vormden daarvan ≈€128,4 mld. De grootste indirecte posten waren btw (€75,9 mld) en accijnzen (€11,5 mld). Ook energiebelasting (±€8,5 mld) en motorrijtuigenbelasting (€6,4 mld) tellen mee. Om budgetneutraal te zijn, moeten de nieuwe IB+TT samen minimaal dit bedrag bij elkaar verzamelen.

Doelstellingen:

  • IB-opbrengst: ongeveer de huidige gecombineerde opbrengst van loon/inkomstenbelasting + premies (grofweg €224–225 mld).
  • TT-opbrengst: ongeveer de omzet van alle huidige indirecte belastingen (btw, accijnzen, energie-/milieubelastingen, M(r)B, overdrachtsbelasting, lokale consumptieheffingen, etc.). Ruwweg komt dat neer op ~€110–125 mld per jaar.

Welke tarieven zijn dan nodig? Dat hangt sterk af van de grondslag van de TT. Voorbeeldberekening voor een benodigde ~€120–125 mld opbrengst:

TransactiebasisBenodigd TT-tarief (≈€125 mld opbrengst)
Alleen particuliere consumptie (±€500 mld)≈25% (onrealistisch hoog)
Consumptie + bedrijfsomzet (±€1.500 mld)≈8,3% (zeer hoog)
Zeer brede basis (alle betalingen, ca. €25.000 mld)≈0,5% (realistisch)

Een exclusieve focus op consumptie leidt tot onhaalbare tarieven. Praktisch is juist een enorme basis nodig: alle betalingsstromen in de economie (inclusief interne overboekingen, kapitaalverplaatsingen, etc.) om een TT van enkele tienden procent vol te houden. Als voorbeeld: bij een totale betaalbasis van ~€25.000 miljard per jaar levert 0,5% al €125 mld op.

Voor de inkomensbelasting geldt: stel het totale belastbare inkomen (brutoloon + uitkeringen + pensioen) is ~€900–1.000 mld. Dan is een gemiddelde heffing van 22–25% nodig om €225 mld op te brengen. Dat lijkt hoog, maar met vrijstelling voor lage inkomens betekent het dat hogere inkomens in de top flink meer gaan betalen (zeker als er geen box 3 meer is om lage rendementen te benadelen). Een gedetailleerde toedeling vereist microsimulaties met actuele data, maar globaal is de rekensom helder.

Uitvoeringsaspecten en risico’s

Een overstap naar dit tweedimensionale stelsel brengt grote voordelen, maar kent ook uitdagingen:

  • Overgangswinst/verlies: Huidige gebruikers van aftrekposten (hypotheekrente, ondernemersaftrek, dividendkorting) kunnen in het nieuwe stelsel niet zonder meer dezelfde voordelen behouden. Anderzijds kunnen beleggers en rijken nu soms juridisch belastingontwijkende constructies gebruiken; met één tariefstelsel wordt het fiscaal spel transparanter. Een zorgvuldige overgang is noodzakelijk: een transitiefonds voor ‘verliezers’ (bijv. lagere middeninkomens of vastgoedbezitters) en duidelijke uitleg over het eerlijke karakter van het nieuwe stelsel zijn onvermijdelijk.
  • Fiscaal-arbitrage en internationaal: Een brede TT én een herzien IB kunnen leiden tot verschuivingen in kapitaal- en winststromen. Nederland moet anti-misbruikregels aanscherpen en afstemming zoeken met EU-partners (vooral bedrijven en vermogensaanwas). Voor de financiële sector speelt de (europese) discussie over een financiële transactietax en bestaande bankbelasting — Nederland blijft voorwaarden stellen (zoals vrijstelling pensioenfondsen), wat in 2013 leidde tot uitstel.
  • Technische uitvoering: De kern is moderne ICT en realtime rapportage. De Belastingdienst zal moeten kunnen aansluiten op het betalingsverkeer (banken, pinbetalingen, digitale platformen) om automatisch TT te incasseren. Dit vereist forse investeringen. Tegelijk verdwijnen veel traditionele controles (btw-administratie, accijnsinspecties, lokale inning) – wat op middellange termijn juist kosten kan besparen. Analyses wijzen erop dat door schaalvergroting en vereenvoudigde procedures 20–40% van de huidige incassokosten overbodig kan worden.
  • Bescherming kwetsbaren: Zonder aanvullende maatregelen kunnen lage inkomens in bepaalde scenario’s slechter uitkomen. Zelfs een TT van 0,5% op basisgoederen haalt nog geld uit huishoudens met een strak budget. Daarom is het cruciaal dat – zoals in het voorstel – basisconsumptie (voedsel, huur, zorg, onderwijs) via negatieve verrekensystemen onbelast blijft, of dat er een (negatieve) toeslag voor minima wordt gecreëerd. Op die manier betaalt iedereen naar draagkracht.

Voer voor discussie.

Een stelsel met één inkomstenbelasting en één brede transactietaks is op papier zowel technisch mogelijk als maatschappelijk aantrekkelijk: het vereenvoudigt de collectieve lasten enorm, vermindert dubbele belasting op inkomen en bezit, en maakt opbrengsten transparanter. Uitgaande van de huidige cijfers kan met een TT-tarief van rond 0,5–0,6% en een gemiddelde IB-opbrengst van ~25% het huidige ontvangstenniveau van €380–410 mld worden benaderd.

De grote winst zit in administratieve reductie en overzichtelijkheid. De politiek en samenleving moeten echter de stap durven maken. Dat vraagt een gefaseerde aanpak (5–10 jaar) met continue monitoring (microsimulaties, experimenten met betalingsrapportage), én een compenserende transitiebegeleiding. Anti‑ontwijkingsmaatregelen en internationale coördinatie zijn vereist om de inkomstenrobuustheid te garanderen.

Op de lange termijn leveren de schaalvoordelen en vereenvoudigde structuur substantiële baten op (minder nalevingskosten, minder fraude). Met dit ontwerp kan Nederland een fiscaal stelsel krijgen dat zowel sterk als menselijk is: eerlijker voor de doorsnee burger, transparanter voor de overheid, en voorbereid op de uitdagingen van een moderne economie. Een ‘universele tax’ klinkt ambitieus, maar uit de cijfers blijkt dat het kan – mits zorgvuldig uitgevoerd.

Bronnen: CBS StatLine (detailcijfers belastingen en premies 2023) en Rijksoverheidsinformatie over de belastingtarieven. Daarnaast analyses uit de literatuur over de Nederlandse belastingmix en uitvoeringskosten. (Voor concrete tariefs- en redistributie-effecten zijn verdere microsimulaties met actuele data nodig.)

Word ook auteur voor het Schaduwkabinet

Sluit je aan bij onze schrijvers en laat jouw ideeën mee klinken in het debat van morgen.

Laat een reactie achter

Scroll naar boven