Hier vind de je taal-toolbox — de plek waar we laten zien hoe we schrijven, denken en duiden.
Het Schaduwkabinet werkt niet met één manier van kijken, maar met wel dertig verschillende vormen van helderheid.
Elke tekstvorm heeft een eigen rol: de één onderzoekt, de ander ontleedt, weer een ander vertelt, nuanceert, schetst of prikkelt.
Samen vormen ze het instrumentarium waarmee we ruchtbaarheid geven aan onze gedachtes.
Op deze pagina vind je al onze tekstvormen overzichtelijk bij elkaar: van Beschouwing tot Commentaar, van Casus tot Scenario, van Meditatie tot Nota.
Ze zijn geen regels, maar richtingen. Geen keurslijf, maar een kompas.
Ze helpen ons — en jou — om te begrijpen wat er speelt, wat er verschuift en wat er onder de oppervlakte beweegt.
1. Beschouwing
Doel: Verkennen van een onderwerp vanuit meerdere invalshoeken. Centrale vraag: Een open, onderzoekende vraag.
Structuur:
- Introductie
- Perspectieven
- Analyse
- Reflectie
- Open einde
Taal/Toon: Rustig, genuanceerd, onderzoekend. Slot: Open vraag of reflectie.
2. Analyse
Doel: Ontleden van een kwestie in onderdelen. Centrale vraag: Wat verklaart dit fenomeen?
Structuur:
- Probleemdefinitie
- Uiteenzetting van elementen
- Patronen
- Implicaties
- Samenvatting
Taal/Toon: Precisie, helderheid, systematisch. Slot: Kernbevinding.
3. Reflectie
Doel: Betekenis geven aan een ervaring of ontwikkeling. Centrale vraag: Wat zegt dit over ons / mij / de tijd?
Structuur:
- Aanleiding
- Observatie
- Betekenis
- Breder perspectief
- Afsluitende gedachte
Taal/Toon: Persoonlijk, beschouwend. Slot: Inzicht of les.
4. Essay
Doel: Vrije verkenning van een idee. Centrale vraag: Wat fascineert of schuurt hier?
Structuur:
- Thema
- Associaties
- Argumenten
- Reflectie
- Conclusie
Taal/Toon: Vrij, literair, denkend. Slot: Persoonlijke conclusie.
5. Kritische notitie
Doel: Korte, scherpe duiding. Centrale vraag: Wat valt hier op of wringt?
Structuur:
- Aanleiding
- Punt van kritiek
- Onderbouwing
- Suggestie
Taal/Toon: Direct, compact. Slot: Heldere kernzin.
6. Contextstuk
Doel: Een onderwerp in bredere lijnen plaatsen. Centrale vraag: Waar komt dit vandaan?
Structuur:
- Historie
- Huidige situatie
- Patronen
- Betekenis
- Vooruitblik
Taal/Toon: Informerend, verbindend. Slot: Samenvattende duiding.
7. Betoog
Doel: Overtuigen met argumenten. Centrale vraag: Wat moet er gebeuren of gedacht worden?
Structuur:
- Stelling
- Argument 1
- Argument 2
- Weerlegging
- Conclusie
Taal/Toon: Standvastig, helder. Slot: Duidelijke oproep of conclusie.
8. Pleidooi
Doel: Vurig verdedigen van een standpunt. Centrale vraag: Waarom verdient dit aandacht?
Structuur:
- Urgentie
- Argumenten
- Voorbeelden
- Emotionele kern
- Oproep
Taal/Toon: Gepassioneerd, betrokken. Slot: Appèl.
9. Kanttekening
Doel: Genuanceerde toevoeging of correctie. Centrale vraag: Wat wordt hier over het hoofd gezien?
Structuur:
- Aanleiding
- Kanttekening
- Onderbouwing
- Suggestie
Taal/Toon: Subtiel, precies. Slot: Heldere nuance.
10. Stellingname
Doel: Compact standpunt formuleren. Centrale vraag: Waar sta ik?
Structuur:
- Stelling
- Argument
- Implicatie
Taal/Toon: Kort, krachtig. Slot: Bekrachtiging.
11. Hypothese
Doel: Veronderstelling onderzoeken. Centrale vraag: Wat als…?
Structuur:
- Hypothese
- Redenering
- Observaties
- Mogelijke uitkomsten
Taal/Toon: Verkennend, open. Slot: Voorzichtige conclusie.
12. Scenario
Doel: Mogelijke toekomst schetsen. Centrale vraag: Hoe zou dit kunnen verlopen?
Structuur:
- Aanleiding
- Scenario 1
- Scenario 2
- Scenario 3
- Reflectie
Taal/Toon: Speculatief, helder. Slot: Waarschuwing of uitnodiging.
13. Verkenning
Doel: Open onderzoek zonder oordeel. Centrale vraag: Wat speelt hier?
Structuur:
- Vraag
- Observaties
- Mogelijke verklaringen
- Onzekerheden
- Open einde
Taal/Toon: Neutraal, nieuwsgierig. Slot: Nieuwe vragen.
14. Vraagstuknotitie
Doel: Probleem scherp formuleren. Centrale vraag: Wat is hier precies het vraagstuk?
Structuur:
- Situatie
- Kernprobleem
- Gevolgen
- Wat ontbreekt
Taal/Toon: Zakelijk, helder. Slot: Heldere probleemformulering.
15. Voorstel
Doel: Concrete richting bieden. Centrale vraag: Wat stellen we voor?
Structuur:
- Probleem
- Voorstel
- Argumenten
- Uitwerking
- Verwachte effecten
Taal/Toon: Constructief. Slot: Samenvatting.
16. Ontwerpnotitie
Doel: Nieuw systeem of aanpak schetsen. Centrale vraag: Hoe kan dit anders?
Structuur:
- Uitgangspunten
- Concept
- Elementen
- Voorbeeld
- Implementatie
Taal/Toon: Creatief, systemisch. Slot: Ontwerpprincipe.
17. Alternatief
Doel: Andere route presenteren. Centrale vraag: Wat kan er anders?
Structuur:
- Huidige situatie
- Probleem
- Alternatief
- Voordelen
- Mogelijke risico’s
Taal/Toon: Helder, oplossingsgericht. Slot: Afweging.
18. Kader
Doel: Uitgangspunten definiëren. Centrale vraag: Wat zijn de basisprincipes?
Structuur:
- Doel
- Principes
- Toepassing
- Grenzen
Taal/Toon: Structurerend. Slot: Samenvattend principe.
19. Casus
Doel: Voorbeeld dat inzicht geeft. Centrale vraag: Wat laat deze situatie zien?
Structuur:
- Situatie
- Actie
- Observatie
- Analyse
- Les
Taal/Toon: Concreet, verhalend. Slot: Inzicht.
20. Vertelling
Doel: Verhalend duiden. Centrale vraag: Wat gebeurt hier en waarom?
Structuur:
- Setting
- Gebeurtenis
- Wending
- Betekenis
Taal/Toon: Narratief. Slot: Reflectie.
21. Parabel
Doel: Symbolisch verhaal met les. Centrale vraag: Welke wijsheid schuilt hierin?
Structuur:
- Verhaal
- Symboliek
- Les
Taal/Toon: Eenvoudig, suggestief. Slot: Moraal.
22. Dagboeknotitie
Doel: Persoonlijke observatie. Centrale vraag: Wat viel me op?
Structuur:
- Moment
- Observatie
- Gevoel
- Betekenis
Taal/Toon: Intiem, direct. Slot: Persoonlijke noot.
23. Meditatie
Doel: Verstilde beschouwing. Centrale vraag: Wat blijft er over als alles stil wordt?
Structuur:
- Aanleiding
- Stilte
- Inzicht
- Verbreding
Taal/Toon: Poëtisch, traag. Slot: Zachte gedachte.
24. Aforisme
Doel: Korte, scherpe gedachte. Centrale vraag: Wat is de essentie?
Structuur:
- Eén zin
Taal/Toon: Puntig. Slot: De zin zelf.
25. Fragment
Doel: Suggestieve, incomplete gedachte. Centrale vraag: Wat wordt hier aangeraakt?
Structuur:
- Moment
- Suggestie
Taal/Toon: Open, evocatief. Slot: Onvoltooid.
26. Conceptuele schets
Doel: Idee in ruwe vorm tonen. Centrale vraag: Wat is de kern van dit concept?
Structuur:
- Kernidee
- Elementen
- Voorbeeld
- Mogelijke richting
Taal/Toon: Creatief, schetsmatig. Slot: Conceptuele samenvatting.
27. Nota
Doel: Gestructureerde beleidsduiding. Centrale vraag: Wat moet worden overwogen?
Structuur:
- Inleiding
- Analyse
- Opties
- Aanbeveling
Taal/Toon: Formeel. Slot: Advies.
28. Annotatie
Doel: Toelichting op een passage. Centrale vraag: Wat betekent dit?
Structuur:
- Citaat
- Uitleg
- Implicatie
Taal/Toon: Precisie. Slot: Kernpunt.
29. Memorandum
Doel: Korte formele duiding of aanbeveling. Centrale vraag: Wat moet men weten of doen?
Structuur:
- Doel
- Analyse
- Aanbeveling
Taal/Toon: Zakelijk. Slot: Heldere actie.
30. Commentaar
Doel: Reactie op bestaand beleid of tekst. Centrale vraag: Wat is hierop aan te merken?
Structuur:
- Aanleiding
- Punt
- Onderbouwing
- Suggestie
Taal/Toon: Kritisch, helder. Slot: Conclusie.
